Vandaag wordt door
Next checkt geconcludeerd dat het aantal Nederlanders dat ervan droomt schrijver te worden in werkelijkheid een stuk lager is dan eerder werd aangenomen. Naar schatting zouden slechts 60.000 Nederlanders zouden van schrijven graag hun beroep maken.
Het getal van één miljoen schrijvers zou gebaseerd zijn op de resultaten van een enkele enquête van dagblad Trouw uit 2007. Op basis van dat onderzoek zouden, gegeneraliseerd naar de totale bevolking, inderdaad één miljoen mensen 'bezig zijn met schrijven'. Echter:
Van de 214 ondervraagden die schrijven als hobby hebben, zegt de meerderheid schrijven te zien als ‘uitlaatklep’ (52 procent), ‘ontspannend, leuk om te doen’ (48 procent) en/of ‘gedachten te ordenen’ (43 procent). Slechts 12 respondenten (6 procent) zeggen ‘graag van schrijven mijn beroep te maken’. Zou je dat aantal vertalen naar de totale bevolking, dan kun je zeggen dat ruim 60.000 Nederlanders ervan dromen schrijver te worden, en niet de genoemde één miljoen.
In het commentaar op dit bericht verwijst iemand ("Aj") naar het onderzoek van Stichting Schrijven uit 1997/1998, dat ook door hoogleraar Boekwetenschap Lisa Kuitert (UvA) werd aangehaald. Hij/zij citeert uit het boek
Ongerijmd Succes van Thomas Vaessens, blz 105:
In 1997 liet de Stichting Schrijven het Nipo een onderzoek doen naar de vraag Wie schrijft en wat schrijft men in Nederland? Van de ondervraagden, allemaal zestien jaar en ouder, gaf 5% te kennen regelmatig gedichten te schrijven. Bij de bevolkings-omvang van dat moment betekende dat een totaal aantal van 620.000 dichters van zestien jaar en ouder in Nederland, 372.000 vrouwen en 248.000 mannen.
De waarheid zal ergens in het midden liggen. Dat heel veel mensen graag schrijven, op wat voor manier dan ook, wil ik wel geloven, maar dat er één miljoen mensen zijn met een ambitie om werkelijk schrijver te worden lijkt mij inderdaad overdreven.