Dit verhaal heb ik ooit geschreven voor een kortverhalenwedstrijd. De opdracht: een historisch kortverhaal van maximum twee pagina's A4.
Anton keek gefascineerd naar het boek van zijn vader. De kaft was rood en zwart gekleurd, de titel in hoekige letters gedrukt. Moeder had eens gezegd dat het de kleuren van de duivel waren en dat het boek hen in de hel zou storten.
Hij kende het boek. Hij kende de titel. Het verwonderde hem alleen, dat zijn vader erin las. Hij glimlachte. Misschien zou zijn vader inzien dat het boek de ware leer bevatte. Hij moest het te weten komen.
“Vati, waarom lees je nu Mein Kampf? Ik dacht dat je tegen Hitlers ideeën was?”
Vader legde het boek met een klap neer.
“Je moet je vijanden kennen. Hoe meer ik er van weet, hoe meer ik overtuigd ben: zij mogen nooit aan de macht komen.”
Hij legde het boek open en sloeg het weer dicht. Zijn rechterhand trilde. Een vastberaden trek speelde om zijn mond.
“We moeten ze met hun eigen wapens bestrijden,” sprak vader. Moeder leunde tegen de deuropening en keek hem strak aan.
“Zo? Wat wordt het deze keer? Knuppels en messen?” vroeg ze scherp.
“Maar nee. Toespraken, slogans, pamfletten! Hoe denk je dat die kleine Oostenrijker anders zoveel aanhang gekregen heeft?”
Anton vouwde zijn handen in elkaar en kneep. Hij vervloekte zijn machteloosheid. Naar hem zouden ze nooit luisteren. Nee, liever geloofden ze in een sprookjeswereld waar iedereen goed was. Ze accepteerden de harde feiten niet: er zat gif in de samenleving. Hitler had gelijk.
Anton vervloekte zichzelf. Machteloosheid was niet het juiste woord. Hij was een afschuwelijke lafaard, een meeloper, iemand die zelfs in de eigen familie zijn mening niet durfde te uiten.
“Ik heb pamfletten besteld bij de drukker,” vervolgde vader. Hij keerde zich scherp om.
“Besteld en betaald,” benadrukte hij. “Morgen haal ik ze af. Ik zal de mensen toespreken en Anton kan de pamfletten uitdelen.”
“Over mijn dood lijk,” krijste moeder. “Dat je ons goede geld verspilt, tot daar aan toe. Ga maar je praatjes verkondigen, van mij mag je. Jij mag, maar Anton niet. Anton is ook mijn kind. Ik verbied hem van met jou mee te gaan. Het is veel te gevaarlijk.”
Vader hief zijn handen in een wanhopig gebaar.
“Waar gaat de wereld naartoe? Tegenwoordig is het gevaarlijk om pamfletten uit te delen, tenzij ze die kleine Oostenrijker steunen.”
Anton keek van de ene naar de andere. Als vader zijn zin kreeg zou hij nog pamfletten uitdelen waarmee hij het niet eens was.
“Ik denk dat moeder gelijk heeft,” zei hij zwakjes. Hij kokhalsde van zijn eigen lafheid.
De stevig gebouwde jongeman in de deuropening trok een borstelige wenkbrauw op. Anton voelde zijn knieën knikken. Hijzelf was tenger zoals zijn vader, maar hij had mooie blonde krullen geërfd van zijn moeder. Met een beslist gebaar stak hij zijn rechterhand de lucht in. Zo werd Hitlers strijd ook een beetje de zijne.
“Heil Hitler,” groette hij. De jongeman beantwoordde de groet door zijn andere wenkbrauw ook op te trekken.
“Ik ben Anton Schiffbauer,” stelde Anton zich voor. “Jij hoort bij de Sturmabteilung, niet?” De Sturmabteilung, of kortweg SA, was de paramilitaire organisatie die de NSDAP steunde.
“Jazeker, jochie, wil je je soms aansluiten?”
Anton wenste dat hij ergens diep weg kon kruipen zodat hij de spottende glimlach van het SA-lid niet meer hoefde te zien. Hij slikte.
“Ik heb informatie voor jullie.”
“Kom snel binnen,” besloot de jongeman.
“Nog niet van gedachten veranderd, jongen?” vroeg vader terwijl hij zijn jas aantrok. Anton wiebelde zenuwachtig heen en weer.
“Breng het kind nu niet op ideeën,” antwoordde moeder boven het gerammel van bestek uit, “Het zou zelfs beter zijn als jij van dat plannetje afziet. Wat ga je doen als de SA je bont en blauw slaat? Ja, wat dan?”
Anton beet op zijn lip om niets te laten merken. Hij wist beter. De SA zou vader niet slaan, ze hadden het hem beloofd. Ze zouden alleen de pamfletten afnemen.
Zodra vader uit het zicht was, spurtte Anton naar de hoek van de straat. Onderweg zette hij een muts op die zijn blonde krullen verborg. Daar wachtten de SA-ers hem op. Ze waren met drie. De jongeman met wie hij eerder gesproken had leidde het groepje.
“Heil Hitler,” groetten ze elkaar. De groet klonk magisch, sterk, als een strijdkreet. Anton ging hen voor naar de drukkerswerkplaats.
“Ben je zeker dat hij langs hier terug zal komen?” vroeg de leider.
Anton knikte. Helemaal zeker was hij niet. Zijn vader kon evengoed een omweg nemen, misschien omdat hij bang was van de SA. Nee, hij kende zijn vader, die zou met opzet de gewone weg nemen omdat hij vond dat hij daar recht op had.
Lang hoefden ze niet te wachten.
“Doe hem geen pijn,” smeekte Anton nog.
“Geen zorg, we hebben dat beloofd,” verzekerde de leider hem.
De twee grootste mannen grepen Antons vader vast. De derde SA-er nam de grote kartonnen doos uit zijn handen. Anton haalde er een pamflet uit. Vooraan stond er, in rode schreeuwerige hoofdletters:
“Hitler = Oorlog! Armoede! Vernedering!”
Hij draaide het blaadje om. Op de achterkant was er een hele lap tekst te lezen. Anton schudde het hoofd. Vader was niet tevreden met een slogan. Hij wilde argumenteren. Anton verfrommelde het pamflet en gooide het propje weer in de doos. De leider van het groepje keek hem aan. Hij gooide een doosje lucifers omhoog en ving het weer op.
“Wist jij dat leugens goed branden?” vroeg hij.
“Laat dat,” siste de stem van zijn vader. “Wat jullie doen is onwettelijk. Ik heb het recht van pamfletten te verspreiden, ook als de inhoud niet met jullie denkbeelden overeenkomt. Het is mijn recht.”
Lafaard, schold Anton op zichzelf. Zelfs nu durfde hij niets zeggen tegen zijn vader. Zelfs nu, terwijl zijn vrienden bij hem waren, knaagde binnenin de twijfel.
Wat als vader toch gelijk had?
Wat als Hitler aan de macht kwam en hij de problemen niet zou kunnen oplossen?
Wat als Hitler er problemen bij zou maken, zoals oorlog?
Zijn gedachten werden onderbroken door de stem van zijn vader.
“Wat gaan jullie doen met mensen zoals ik? Mensen die andere ideeën hebben? Je kunt ze toch niet allemaal in de gevangenis steken?”
In een woest gebaar trok Anton de muts van zijn hoofd. Voor het eerst keek hij recht naar zijn vader.
“Ik ken je argumenten al, Vati. Ik heb ze al lang genoeg verdragen.” Zijn vader hapte naar lucht. Anton, probeerde hij te zeggen, maar er kwam geen geluid uit zijn mond.
Geen lafaard meer, schoot er door Antons hoofd. Dit was ook zijn strijd. Hij gaf met de vlakke hand een klap in het gezicht van zijn vader.
“Dat doen we met mensen die problemen maken,” grauwde hij.
Anton keek gefascineerd naar het boek van zijn vader. De kaft was rood en zwart gekleurd, de titel in hoekige letters gedrukt. Moeder had eens gezegd dat het de kleuren van de duivel waren en dat het boek hen in de hel zou storten.
Hij kende het boek. Hij kende de titel. Het verwonderde hem alleen, dat zijn vader erin las. Hij glimlachte. Misschien zou zijn vader inzien dat het boek de ware leer bevatte. Hij moest het te weten komen.
“Vati, waarom lees je nu Mein Kampf? Ik dacht dat je tegen Hitlers ideeën was?”
Vader legde het boek met een klap neer.
“Je moet je vijanden kennen. Hoe meer ik er van weet, hoe meer ik overtuigd ben: zij mogen nooit aan de macht komen.”
Hij legde het boek open en sloeg het weer dicht. Zijn rechterhand trilde. Een vastberaden trek speelde om zijn mond.
“We moeten ze met hun eigen wapens bestrijden,” sprak vader. Moeder leunde tegen de deuropening en keek hem strak aan.
“Zo? Wat wordt het deze keer? Knuppels en messen?” vroeg ze scherp.
“Maar nee. Toespraken, slogans, pamfletten! Hoe denk je dat die kleine Oostenrijker anders zoveel aanhang gekregen heeft?”
Anton vouwde zijn handen in elkaar en kneep. Hij vervloekte zijn machteloosheid. Naar hem zouden ze nooit luisteren. Nee, liever geloofden ze in een sprookjeswereld waar iedereen goed was. Ze accepteerden de harde feiten niet: er zat gif in de samenleving. Hitler had gelijk.
Anton vervloekte zichzelf. Machteloosheid was niet het juiste woord. Hij was een afschuwelijke lafaard, een meeloper, iemand die zelfs in de eigen familie zijn mening niet durfde te uiten.
“Ik heb pamfletten besteld bij de drukker,” vervolgde vader. Hij keerde zich scherp om.
“Besteld en betaald,” benadrukte hij. “Morgen haal ik ze af. Ik zal de mensen toespreken en Anton kan de pamfletten uitdelen.”
“Over mijn dood lijk,” krijste moeder. “Dat je ons goede geld verspilt, tot daar aan toe. Ga maar je praatjes verkondigen, van mij mag je. Jij mag, maar Anton niet. Anton is ook mijn kind. Ik verbied hem van met jou mee te gaan. Het is veel te gevaarlijk.”
Vader hief zijn handen in een wanhopig gebaar.
“Waar gaat de wereld naartoe? Tegenwoordig is het gevaarlijk om pamfletten uit te delen, tenzij ze die kleine Oostenrijker steunen.”
Anton keek van de ene naar de andere. Als vader zijn zin kreeg zou hij nog pamfletten uitdelen waarmee hij het niet eens was.
“Ik denk dat moeder gelijk heeft,” zei hij zwakjes. Hij kokhalsde van zijn eigen lafheid.
De stevig gebouwde jongeman in de deuropening trok een borstelige wenkbrauw op. Anton voelde zijn knieën knikken. Hijzelf was tenger zoals zijn vader, maar hij had mooie blonde krullen geërfd van zijn moeder. Met een beslist gebaar stak hij zijn rechterhand de lucht in. Zo werd Hitlers strijd ook een beetje de zijne.
“Heil Hitler,” groette hij. De jongeman beantwoordde de groet door zijn andere wenkbrauw ook op te trekken.
“Ik ben Anton Schiffbauer,” stelde Anton zich voor. “Jij hoort bij de Sturmabteilung, niet?” De Sturmabteilung, of kortweg SA, was de paramilitaire organisatie die de NSDAP steunde.
“Jazeker, jochie, wil je je soms aansluiten?”
Anton wenste dat hij ergens diep weg kon kruipen zodat hij de spottende glimlach van het SA-lid niet meer hoefde te zien. Hij slikte.
“Ik heb informatie voor jullie.”
“Kom snel binnen,” besloot de jongeman.
“Nog niet van gedachten veranderd, jongen?” vroeg vader terwijl hij zijn jas aantrok. Anton wiebelde zenuwachtig heen en weer.
“Breng het kind nu niet op ideeën,” antwoordde moeder boven het gerammel van bestek uit, “Het zou zelfs beter zijn als jij van dat plannetje afziet. Wat ga je doen als de SA je bont en blauw slaat? Ja, wat dan?”
Anton beet op zijn lip om niets te laten merken. Hij wist beter. De SA zou vader niet slaan, ze hadden het hem beloofd. Ze zouden alleen de pamfletten afnemen.
Zodra vader uit het zicht was, spurtte Anton naar de hoek van de straat. Onderweg zette hij een muts op die zijn blonde krullen verborg. Daar wachtten de SA-ers hem op. Ze waren met drie. De jongeman met wie hij eerder gesproken had leidde het groepje.
“Heil Hitler,” groetten ze elkaar. De groet klonk magisch, sterk, als een strijdkreet. Anton ging hen voor naar de drukkerswerkplaats.
“Ben je zeker dat hij langs hier terug zal komen?” vroeg de leider.
Anton knikte. Helemaal zeker was hij niet. Zijn vader kon evengoed een omweg nemen, misschien omdat hij bang was van de SA. Nee, hij kende zijn vader, die zou met opzet de gewone weg nemen omdat hij vond dat hij daar recht op had.
Lang hoefden ze niet te wachten.
“Doe hem geen pijn,” smeekte Anton nog.
“Geen zorg, we hebben dat beloofd,” verzekerde de leider hem.
De twee grootste mannen grepen Antons vader vast. De derde SA-er nam de grote kartonnen doos uit zijn handen. Anton haalde er een pamflet uit. Vooraan stond er, in rode schreeuwerige hoofdletters:
“Hitler = Oorlog! Armoede! Vernedering!”
Hij draaide het blaadje om. Op de achterkant was er een hele lap tekst te lezen. Anton schudde het hoofd. Vader was niet tevreden met een slogan. Hij wilde argumenteren. Anton verfrommelde het pamflet en gooide het propje weer in de doos. De leider van het groepje keek hem aan. Hij gooide een doosje lucifers omhoog en ving het weer op.
“Wist jij dat leugens goed branden?” vroeg hij.
“Laat dat,” siste de stem van zijn vader. “Wat jullie doen is onwettelijk. Ik heb het recht van pamfletten te verspreiden, ook als de inhoud niet met jullie denkbeelden overeenkomt. Het is mijn recht.”
Lafaard, schold Anton op zichzelf. Zelfs nu durfde hij niets zeggen tegen zijn vader. Zelfs nu, terwijl zijn vrienden bij hem waren, knaagde binnenin de twijfel.
Wat als vader toch gelijk had?
Wat als Hitler aan de macht kwam en hij de problemen niet zou kunnen oplossen?
Wat als Hitler er problemen bij zou maken, zoals oorlog?
Zijn gedachten werden onderbroken door de stem van zijn vader.
“Wat gaan jullie doen met mensen zoals ik? Mensen die andere ideeën hebben? Je kunt ze toch niet allemaal in de gevangenis steken?”
In een woest gebaar trok Anton de muts van zijn hoofd. Voor het eerst keek hij recht naar zijn vader.
“Ik ken je argumenten al, Vati. Ik heb ze al lang genoeg verdragen.” Zijn vader hapte naar lucht. Anton, probeerde hij te zeggen, maar er kwam geen geluid uit zijn mond.
Geen lafaard meer, schoot er door Antons hoofd. Dit was ook zijn strijd. Hij gaf met de vlakke hand een klap in het gezicht van zijn vader.
“Dat doen we met mensen die problemen maken,” grauwde hij.