De kattenmoordenaar

Is het niet komisch
dat ik nooit daar wil zijn
waar ik ben, of
waarheen ik ook zal gaan?

Ik ben ook maar een mens;
moordenaar van katten en wezen
ik schrijf mijn odes stil,
in het maanlicht.



De willekeur der woorden

En wat is ze toch mooi
In het valse licht dat
De zomer haar heeft
Geschonken.

Als het papier dat ik
Zo achteloos scheur
Dat zich verzet tegen
De willekeur der
Woorden, zo is ook
Mijn angst met de
Jaren meer een
Betekenisloos blad
Geworden, en de
Eeuwige strijd tussen
De tijd en mij, meer
Als een echtelijke
Ruzie van mensen
Die al lang niet meer
Zonder elkaar kunnen.

Maar wat is ze toch mooi
In welke zon dan ook,
En wat bemin ik haar veel.



Zaad

Overvloedig is de rivier
die stroomt door het
land van Kaïn, vol
is de smaak van
haar tranen op het
zoute brood en de
lipafdrukken over
mijn lichaam; kus
mij, eet mij, word
dronken op mijn
waanzin, bedrink
je aan mijn
zaad en woorden,
dood was ik reeds
bij geboorte.