Hierbij een verhaaltje die ik een paar maanden terug eens heb geschreven, ben benieuwd wat jullie er van vinden:

Het maakte simpelweg nooit deel uit van je gedachten. Een hand, uit de duisternis. Een stevige grip uit het niets.

Je zit in een auto. De ramen zijn geblindeerd, de zwarte lak lijkt een eenheid te vormen met de nacht. Het licht van de sterren wordt direct geabsorbeerd door de nachtwezens. De uilen, zwevende eclipsen.

Het is enkel mogelijk je blik zijwaarts te keren. De bomen lijken uitgevaagd op een schildersdoek. De snelheid loopt op, de bestemming lonkt. De nacht verrast niemand.

Je staart voor je uit, de diepte van de auto in. Het zicht lijkt eindeloos. Een zwart gat. De ramen aan beide zijden vallen nog net binnen je gezichtsveld. De snelheid laat alles voorbij zweven. Als vloeistof dat van de ramen schiet. Takken worden met hun gezicht tegen het raam gedrukt, lijken even tot stilstand te komen, om met hoge snelheid weg te schieten.

De druk in je maag neemt toe, je bent nu zo dichtbij dat je zijn lokroep gaat voelen. Het laat je huid onaangetast maar neemt je binnenste over. Je ingewanden worden omgekeerd, maar blijven intact.

Je vraagt aan de chauffeur naar de verwachte tijd van aankomst. Hij is enkel een achterhoofd.

‘ Mijnheer. Met spijt moet ik betuigen dat u verkeerd geïnformeerd bent. Van een aankomst is helaas geen sprake. Dit is enkel een terugreis. Weet u nog waar u vandaan komt? De kneepjes in uw lichaam, het gefluister in uw mond? U heeft een reeks toespelingen gemaakt naar de eeuwigheid, deze heeft binnenkort tijd om u te ontvangen. Mijn waarschuwingen. In uw hand ligt een voorwerp. Deze is momenteel nog niet zichtbaar voor uw bewustzijn. Maar er is met zekerheid sprake van een object.‘

Je laat je achterover vallen op de bank. Remmen klinken, gevolgd met een schok. De deur zwaait open, de chauffeur blijft seconden zitten, en verdwijnt. Het portier naast je zwaait open. Daar staat hij, de chauffeur. Nog steeds een achterhoofd.

De volgende herinnering is de zwarte auto, samensmeltend met de nacht. Een tafereel dat plaats vind achter je rug om. Het niets. Wat achter je gebeurt is niet belangrijk, je bestemming is bereikt.

Voor je staat een kasteel. Je staat er zo dicht tegenaan dat je nek niet genoeg kan buigen om de toppen te zien. De slotgracht bevat dood water. Het stroomt.

Aan de voorzijde van het kasteel staat een immense poort, de rode verf is zwaar aangedaan. In deze poort staat een kleinere deur, geschikt voor één persoon. Met een harde klap vertoon je tekenen van je aankomst. Een klein vak in de deur opent zich, vergezeld door twee diepe ogen. Je toont het ticket, een geschenk van je grootvader. De poort opent zich geluidloos. Op de binnenplaats is het te donker om nut te verlenen aan je zicht. Toch besluit je het slot te betreden. Na één voet in de duisternis gezet te hebben raak je in vrije val. Met een klap kom je neer op het binnenhof. De leegte van deze plek roept een naargeestig gevoel op. Toch is er houvast, de oude waterput.

Op de bodem is een klein filmtheater. Capaciteit; circa 75 man. Je maakt het jezelf gemakkelijk op één van de rijen stoelen die zich voor je presenteren. De keuze viel vooraan in het midden. Het rode leer zakt mee en vormt zich naar je lichaam. Voetstappen. Een man verschijnt op het lage podium, grenzend aan een gordijn. De presentator maakt een diepe buiging, schraapt zijn keel. Hij huilt:

‘ Voor het menselijk verstand,
Een eeuwigheid geleden
Hier in dit theater
Heeft de Duivel opgetreden

Een schouwspel ontvouwt zich
De schreeuw van binnenuit
Wast zich met tranen van de mensen
Voordat het doek zich sluit

Een opvoering herhaalt zich
In het geheugen wordt gegraven
Sinds God’s laatste genocide
Ons in water heeft begraven

Wel mag ik nu uw aandacht
Hooggeëerd publiek
Een ovatie, staand en eerlijk
Wij dulden geen repliek

De laatste figurant
Door het vonnis hier geleid
De apotheose, nu vervuld
Tot in de eeuwigheid ‘

De man keert zich, verdwijnt achter het gordijn. Zijn achterhoofd als laatste aanblik. Geen moment later openen de rode stoffen zich. De zaal is leeg, evenals het podium. De stemmen galmen echter door de akoestiek. De acteurs zijn onttrokken aan de ogen van de wereld. Ieder mens speelt de rol van zijn leven, het sterven waard. Dan dooft het licht, om nog één maal op te bloeien. Een daverend applaus volgt. Duizenden handen klappen het ritme van waardering.