In een straatje nieveranst

kwam'k op je tenen gedanst.

Je lenzen matteblind geplenst

daar 'k j'al foetsie had verwenst.



Je handen dansten gamelan

temperend over m'n onderarm

ik raaskalde van verschoning

en staarte je toen koning.



Je kuikende me achterna

ik struikelde de nachtegaal

en floot je wijsje fijn motief

je hart als een geleerde dief.