Dit verhaal schreef ik al in 2008 en ik heb 't al wel eens eerder op internet gezet. Ik zou eigenlijk recentere verhalen met jullie moeten delen. Toch doe ik eerst dit verhaal maar, het is niet zo lang en ook niet ingewikkeld of zo. Ik houd niet eens van ingewikkelde verhalen.
I
Bij dit licht is alles mooi, al moet je voor rangeerterreinen en beton nog wel je fantasie gebruiken. Een normaal mens vindt het lelijk en ik zou het dat ook vinden, als ik nu niet met helder winterlicht de Schipholtunnel uit kwam rijden.
In de tunnel had ik niets gedaan. Er waren maar weinig mensen ingestapt. Ik had niet mijn tas van de stoel naast me hoeven halen om plaats te maken en had niemand hoeven aanbieden even te helpen met het tillen van de koffers.
Nu was er licht, en Hoofddorp, en in de verte al het open land van de Haarlemmermeer. Een vliegtuig kwam laag over, wat natuurlijk niet verwonderlijk was. Er passeerde een andere trein, een gewone, geen internationale als die van ons. De internationale trein was rood, paars en roze, de gewone trein was geel.
Bruggen gingen over het spoor. De betonnen wonde van de HSL lag naast ons te kloppen, al reed er niemand over. Ik vroeg me af of ik 't bij leven nog mee zou maken dat die lijn in gebruik genomen werd. Ik had zo mijn twijfels.
Twee jaar lang had ik hier tweemaal per week gereden, bij regen, bij zomer en bij nacht. 's Nachts was het hier echt donker, al zag je natuurlijk altijd het schijnsel van Schiphol en de autosnelweg in de verte. Overdag was het hier groots en vlak. De buitenlanders in de internationale trein keken er altijd wat verwonderd naar. Die ruimte, en dat licht.
Dit jaar reed ik nog maar zelden hier. Voor een keer misschien, als ik naar Leiden ging, of naar Den Haag, en nu natuurlijk, nu ik eindelijk weer eens terug naar Leuven zou gaan. Dat had ik onderhand al te veel nachten uitgesteld.
't Had natuurlijk allemaal wel een reden. Alles was wel ergens om en alles ging over iets. Ook de stilte buiten, en het licht, en het gerommel van de sporen onder mij.
Ik bladerde verder in mijn cursusboek. De vroegmoderne literatuur, ze was niet mijn grote liefde, maar 't moest er nu toch maar eens van komen.
In Leiden stopte de internationale trein. Dat was ik niet gewend, de internationale rijdt normaal altijd met topsnelheid door Leiden heen, de studenten verwaaid en geeuwend achterlatend op het perron, waar ze wachtten op weer een boemeltrein naar andere steden en buitenwijken. We waren nog nooit hier gestopt.
We stonden niet aan een perron. Rechts en links lagen sporen. 't Moest een rood sein zijn, waarvoor we nu stonden, en ik wachtte af en las weer in mijn cursusboek. Die Bredero. 't Kan verkeren.
Naast mijn venster stond de stoptrein naar Den Haag, en die begon zich in beweging te zetten. Dat was natuurlijk gek, want als wij een rood sein hadden, dan zij toch ook. Misschien lag het niet aan de seinen.
Dit waren de momenten om vooral verder te lezen en te denken dat het nog wel goed zou komen, tot de intercom je uit die droom kwam helpen.
Het kraakte al boven onze hoofden. Iedereen keek op, alsof je door op te kijken de intercom beter zou verstaan. De conducteur had een Surinaamse tongval. Hij excuseerde zich in het Nederlands en in het Engels. De internationale trein.
Het kwam erop neer dat de locomotief van de trein kuren had, en dat de machinist nu probeerde het beestje weer "aan de praat" te krijgen. Dat kon wel een paar minuten duren.
De passagiers in de coupé zuchtten demonstratief en we verbroederden een beetje. De telefoontjes kwamen uit de tassen en in allerlei talen werd er nu hardop geklaagd en gepeinsd.
Weer kraakte het. 't Was weer dezelfde stem. Hij klonk vermoeid. Het was niet gelukt de locomotief te repareren. Men zou nu proberen een andere locomotief te regelen om ons weg te slepen. Dit kon nog wel even gaan duren, pardon, excuseer.
Naast me reed weer een andere stoptrein naar Den Haag voorbij. Tussen mijn venster en het perron zat één spoor. Aan de andere kant lagen er wel twee sporen tussen. Ik overwoog of het verstandig zou zijn uit de trein te stappen en naar het perron te rennen. Als ik goed uitkeek kwam ik vast niet onder de volgende stoptrein terecht.
Even later sprong er inderdaad een zwarte schim de trein uit, en hij stak over. De conducteur riep geschrokken dat dat niet mocht, en kwam weer krakend over de intercom met de boodschap dat zoiets levensgevaarlijk was, en dat de stationsleiding er geen toestemming voor gegeven had. Dat laatste vond ik geen doorslaggevend argument.
In de verte kon ik het klokje van de universiteit zien draaien. Dat klokje draaide nogal snel. Het uur was al bijna om. Dit werd een serieuze vertraging. Ik belde weer naar Leuven, maar mijn beltegoed raakte op.
De dame van de catering verkocht me een broodje. Ik kreeg het onrustige gevoel dat dit wel eens mijn diner kon zijn.
Er werd opnieuw gekraakt. De locomotief was nu geregeld en kwam vanuit Den Haag naar hier gereden. Dat kon nog wel een halfuurtje duren, pardon, excuseer.
Z'n Engels werd elke keer een stukje beter. Oefening baart de kunst.
Even later reed over het andere spoor een roodpaarsroze trein voorbij. De internationale trein van het volgende uur. Die zou eerder in Brussel zijn dan de mijne. Vloeken zou niks geholpen hebben, maar toch.
Toen vertelde de intercom dat de locomotief er was om ons te slepen. Tot station Hollands Spoor zouden ze ons brengen, en dan moesten we het zelf maar weten, pardon, excuseer.
II
De internationale trein van twee uur later zat natuurlijk stampvol. Ik stond en om mij stonden de anderen, met hun tassen en koffers en hun chagrijn. Ik was al van sinds twee uur deze middag onderweg, en nu was het tegen zessen en nog was ik niet de Randstad uit.
De man die naast me stond moest ook naar België, maar hij was wel een Nederlander, een Amsterdammer zelfs.
"Woon je in België," vroeg ik. Amsterdammers tutoyeren elkaar, zoveel had ik nu wel geleerd. Eigenlijk tutoyeerde ik niet graag, maar kom, ik moest eens integreren.
"Ja, in Ekeren," zei hij. "Vlakbij Antwerpen."
Antwerpenaars waren een beetje de Amsterdammers van België, zei hij, dus hij kon er nog best wel aarden. Alleen moest je wel elke keer weer bewijzen dat je niet zo'n slechte Hollander was als die anderen.
"Dat ken ik," zei ik. "Dan zeggen ze: voor nen Ollander valde goe mee."
"Ja," zei hij. "Ze hebben alleen niet door hoe vaak ze dat zeggen. We vallen bijna allemaal goed mee."
Dat was nog eens goed nieuws.
Na Rotterdam konden we zitten. Ik deed m'n jas uit, want het was warm binnen. Buiten, op Hollands Spoor, had het nog gehageld. Het had geraasd op de overkapping. Ik was er even onderuit gelopen om de stenen op mijn hoofd te voelen tikken. De eerste hagelbui van het seizoen wilde ik wel vieren.
Het was nog steeds een volle trein. In Rotterdam waren nieuwe reizigers ingestapt, en nu stonden zíj, over de volle lengte van het gangpad. Achter mij zat een moeder met een jong kind, dat af en toe huilde. De moeder sprak Engels tegen het kleintje, kennelijk om het tot rust te manen, wat niet hielp.
Ik was het reizen nu echt behoorlijk beu. Zes uur, zei de klok. Dat was de tijd waarop ik normaal in Leuven aan had moeten komen. Het lukte me niet. Ik was al bijna gaan geloven dat het me nooit meer lukken zou.
III
Het was nu helemaal donker. Wel was het kunstlicht aan. De perrons leken er oranje van. De stad suisde rondom het station en over de wissels klapperden de treinen. Het was hier koud. Er kwam wit licht uit de kantoortorens. De geur van de stad kroop over de muren van het station heen, mij binnen, en om me heen streek de vermoeidheid neer, de forensen, de bezopen toeristen, een enkele montere Brusselaar.
"Parlez-vous néerlandais?" vroeg ik. Dat was hier een begroeting. 't Was een voorwaardelijke begroeting. Als het antwoord erop ontkennend was, diskwalificeerde de aangesprokene zich als mottige Waal, als onwelwillende of domme vreemdeling, als onbelg of erger.
"Ja, ik spreek Nederlands," zei ze. Ze was conductrice en ik had een vraag over de Belgische spoorwegen. 't Was nog een heel verhaal.
Acht uur was het nu. In Mechelen was ik uit de vertraagde internationale trein gestapt en had daarna moeten vaststellen dat mijn aansluiting met Leuven al vertrokken was. Maar terug naar Nederland wou ik nu ook niet meer.
Ik had naar Leuven willen bellen, om te zeggen dat ik er nog later zou zijn, maar mijn beltegoed was op. Dat werd me wel in vier talen medegedeeld, door een chagrijnige Belgische telefoonstem. Het was echt een dwaaltocht aan het worden.
Er stond een treintje klaar op het Mechelse station dat naar Brussel boemelen zou. Ik was erin gestapt, om zo van Mechelen naar Brussel te geraken en dan van Brussel door naar Leuven. 't Was een stil, gerieflijk treintje, met zachte stoelen. Toen ik erin zat, kwam juist een vertraagde Belgische sneltrein naar Brussel langszij. Vertraging hadden ze hier allemaal, leek het.
"Toen dacht ik, laat ik die maar pakken," legde ik haastig aan de conductrice uit, "om sneller hier te zijn. Maar bij het overstappen ben ik m'n tas vergeten."
Ik hoopte dat de conductrice mij nu kon vertellen op welk spoor de boemeltrein waar ik eerst in was gaan zitten binnen zou rijden. Dan kon ik er hopelijk nog mijn blauwe weekendtas terugvinden.
"Welk nummer had die trein?" vroeg ze.
Dat wist ik natuurlijk niet. "Het was een stoptrein, een rode, met groen stoelen in," zei ik. "Hij zou stoppen op alle stations."
"Dan moet ge naar de letters zien," legde ze uit. Op dit station - Brussel-Noord - kwam elke minuut wel een trein naar Brussel-Zuid binnen, maar ik moest er de stoptrein uit zien te halen, en op dat perron wachten gaan.
"Ja," zei ik, "die letters ken ik. Een L-trein is een stoptrein, maar is een CR dat ook?" Ze hadden in België heel ondoorzichtige lettercodes om treinen uiteen te houden. "Er komt dadelijk een L-trein binnen op dat ander spoor, maar hier komt eerst de CR-trein. Nu weet ik niet welk van de twee de juiste is..."
"Nu," begon ze. "Een IC-trein is een sneltrein. Die stopt alleen op grote stations."
Dat wist ik, ja. Maar zeggen dat ik dat wist was natuurlijk onbeleefd. Ik moest bewijzen dat ik voor een Hollander nog goed meeviel.
"Een IR-trein stopt alleen in de grote plaatsen, niet op heel kleine stations," zei ze.
Dat wist ik ook. Ik had vaker met een Belgische trein gereisd.
"Een L-trein gaat eigenlijk overal stoppen," zei ze. "Die kunt ge een stoptrein noemen."
"Ja," zei ik. "Ja. En die CR-trein?"
"CR, dat is CityRail hè," zei de conductrice. "Die gaat ook enkel op grote plaatsen stoppen."
Dan moest ik dus niet op dit spoor staan. Ik rende snel weg, bang om mijn tas alsnog mis te lopen, en riep nog iets van merci achterom. De trapleuning was nog kouder dan de rest van het station.
Mijn tas vond ik goddank. De trein naar Leuven ook. Om hal fnegen die avond reed ik dan langs de witte wolken van de Stella en keek ik vanuit het treinvenster neer op die stad in het dal. Als een helverlichte neogotische suikertaart stak de toren van de universiteit de nacht in.
Twee jaar had ik hier gewoond. 't Was toch een beetje alsof 't míjn stad nog was, die daar lag, achter de ramen. Alsof ik nog steeds van haar kon houden, alos ik kon houden van de stank van de bierbrouwerij, en van de straten.
Het stadhuis was mooi, ook in de nacht, er stonden lichten onder opgesteld. Ik kende nog de weg. De weg kende mij, de mensen kenden mij. De vensters in de gevels staarden naar me.
't Fonske had kleren aan.
IV
Twee dagen later reed ik weer terug, over hetzelfde spoor, in weer een internationale trein. Deze keer deed de locomotief het wel, maar vlogen de remmen in brand in Antwerpen Centraal. Mijn hele coupé stond blauw van de rook. Ik ben maar naar een andere gelopen.
Als ze me nog eens verwijten, de mensen, dat ik een cynicus ben, zeg dan dat het door de treinen komt. Al kan het natuurlijk ook van andere dingen komen, of van de mensen. De herinnering.
In Leuven was er niets veranderd.
I
Bij dit licht is alles mooi, al moet je voor rangeerterreinen en beton nog wel je fantasie gebruiken. Een normaal mens vindt het lelijk en ik zou het dat ook vinden, als ik nu niet met helder winterlicht de Schipholtunnel uit kwam rijden.
In de tunnel had ik niets gedaan. Er waren maar weinig mensen ingestapt. Ik had niet mijn tas van de stoel naast me hoeven halen om plaats te maken en had niemand hoeven aanbieden even te helpen met het tillen van de koffers.
Nu was er licht, en Hoofddorp, en in de verte al het open land van de Haarlemmermeer. Een vliegtuig kwam laag over, wat natuurlijk niet verwonderlijk was. Er passeerde een andere trein, een gewone, geen internationale als die van ons. De internationale trein was rood, paars en roze, de gewone trein was geel.
Bruggen gingen over het spoor. De betonnen wonde van de HSL lag naast ons te kloppen, al reed er niemand over. Ik vroeg me af of ik 't bij leven nog mee zou maken dat die lijn in gebruik genomen werd. Ik had zo mijn twijfels.
Twee jaar lang had ik hier tweemaal per week gereden, bij regen, bij zomer en bij nacht. 's Nachts was het hier echt donker, al zag je natuurlijk altijd het schijnsel van Schiphol en de autosnelweg in de verte. Overdag was het hier groots en vlak. De buitenlanders in de internationale trein keken er altijd wat verwonderd naar. Die ruimte, en dat licht.
Dit jaar reed ik nog maar zelden hier. Voor een keer misschien, als ik naar Leiden ging, of naar Den Haag, en nu natuurlijk, nu ik eindelijk weer eens terug naar Leuven zou gaan. Dat had ik onderhand al te veel nachten uitgesteld.
't Had natuurlijk allemaal wel een reden. Alles was wel ergens om en alles ging over iets. Ook de stilte buiten, en het licht, en het gerommel van de sporen onder mij.
Ik bladerde verder in mijn cursusboek. De vroegmoderne literatuur, ze was niet mijn grote liefde, maar 't moest er nu toch maar eens van komen.
In Leiden stopte de internationale trein. Dat was ik niet gewend, de internationale rijdt normaal altijd met topsnelheid door Leiden heen, de studenten verwaaid en geeuwend achterlatend op het perron, waar ze wachtten op weer een boemeltrein naar andere steden en buitenwijken. We waren nog nooit hier gestopt.
We stonden niet aan een perron. Rechts en links lagen sporen. 't Moest een rood sein zijn, waarvoor we nu stonden, en ik wachtte af en las weer in mijn cursusboek. Die Bredero. 't Kan verkeren.
Naast mijn venster stond de stoptrein naar Den Haag, en die begon zich in beweging te zetten. Dat was natuurlijk gek, want als wij een rood sein hadden, dan zij toch ook. Misschien lag het niet aan de seinen.
Dit waren de momenten om vooral verder te lezen en te denken dat het nog wel goed zou komen, tot de intercom je uit die droom kwam helpen.
Het kraakte al boven onze hoofden. Iedereen keek op, alsof je door op te kijken de intercom beter zou verstaan. De conducteur had een Surinaamse tongval. Hij excuseerde zich in het Nederlands en in het Engels. De internationale trein.
Het kwam erop neer dat de locomotief van de trein kuren had, en dat de machinist nu probeerde het beestje weer "aan de praat" te krijgen. Dat kon wel een paar minuten duren.
De passagiers in de coupé zuchtten demonstratief en we verbroederden een beetje. De telefoontjes kwamen uit de tassen en in allerlei talen werd er nu hardop geklaagd en gepeinsd.
Weer kraakte het. 't Was weer dezelfde stem. Hij klonk vermoeid. Het was niet gelukt de locomotief te repareren. Men zou nu proberen een andere locomotief te regelen om ons weg te slepen. Dit kon nog wel even gaan duren, pardon, excuseer.
Naast me reed weer een andere stoptrein naar Den Haag voorbij. Tussen mijn venster en het perron zat één spoor. Aan de andere kant lagen er wel twee sporen tussen. Ik overwoog of het verstandig zou zijn uit de trein te stappen en naar het perron te rennen. Als ik goed uitkeek kwam ik vast niet onder de volgende stoptrein terecht.
Even later sprong er inderdaad een zwarte schim de trein uit, en hij stak over. De conducteur riep geschrokken dat dat niet mocht, en kwam weer krakend over de intercom met de boodschap dat zoiets levensgevaarlijk was, en dat de stationsleiding er geen toestemming voor gegeven had. Dat laatste vond ik geen doorslaggevend argument.
In de verte kon ik het klokje van de universiteit zien draaien. Dat klokje draaide nogal snel. Het uur was al bijna om. Dit werd een serieuze vertraging. Ik belde weer naar Leuven, maar mijn beltegoed raakte op.
De dame van de catering verkocht me een broodje. Ik kreeg het onrustige gevoel dat dit wel eens mijn diner kon zijn.
Er werd opnieuw gekraakt. De locomotief was nu geregeld en kwam vanuit Den Haag naar hier gereden. Dat kon nog wel een halfuurtje duren, pardon, excuseer.
Z'n Engels werd elke keer een stukje beter. Oefening baart de kunst.
Even later reed over het andere spoor een roodpaarsroze trein voorbij. De internationale trein van het volgende uur. Die zou eerder in Brussel zijn dan de mijne. Vloeken zou niks geholpen hebben, maar toch.
Toen vertelde de intercom dat de locomotief er was om ons te slepen. Tot station Hollands Spoor zouden ze ons brengen, en dan moesten we het zelf maar weten, pardon, excuseer.
II
De internationale trein van twee uur later zat natuurlijk stampvol. Ik stond en om mij stonden de anderen, met hun tassen en koffers en hun chagrijn. Ik was al van sinds twee uur deze middag onderweg, en nu was het tegen zessen en nog was ik niet de Randstad uit.
De man die naast me stond moest ook naar België, maar hij was wel een Nederlander, een Amsterdammer zelfs.
"Woon je in België," vroeg ik. Amsterdammers tutoyeren elkaar, zoveel had ik nu wel geleerd. Eigenlijk tutoyeerde ik niet graag, maar kom, ik moest eens integreren.
"Ja, in Ekeren," zei hij. "Vlakbij Antwerpen."
Antwerpenaars waren een beetje de Amsterdammers van België, zei hij, dus hij kon er nog best wel aarden. Alleen moest je wel elke keer weer bewijzen dat je niet zo'n slechte Hollander was als die anderen.
"Dat ken ik," zei ik. "Dan zeggen ze: voor nen Ollander valde goe mee."
"Ja," zei hij. "Ze hebben alleen niet door hoe vaak ze dat zeggen. We vallen bijna allemaal goed mee."
Dat was nog eens goed nieuws.
Na Rotterdam konden we zitten. Ik deed m'n jas uit, want het was warm binnen. Buiten, op Hollands Spoor, had het nog gehageld. Het had geraasd op de overkapping. Ik was er even onderuit gelopen om de stenen op mijn hoofd te voelen tikken. De eerste hagelbui van het seizoen wilde ik wel vieren.
Het was nog steeds een volle trein. In Rotterdam waren nieuwe reizigers ingestapt, en nu stonden zíj, over de volle lengte van het gangpad. Achter mij zat een moeder met een jong kind, dat af en toe huilde. De moeder sprak Engels tegen het kleintje, kennelijk om het tot rust te manen, wat niet hielp.
Ik was het reizen nu echt behoorlijk beu. Zes uur, zei de klok. Dat was de tijd waarop ik normaal in Leuven aan had moeten komen. Het lukte me niet. Ik was al bijna gaan geloven dat het me nooit meer lukken zou.
III
Het was nu helemaal donker. Wel was het kunstlicht aan. De perrons leken er oranje van. De stad suisde rondom het station en over de wissels klapperden de treinen. Het was hier koud. Er kwam wit licht uit de kantoortorens. De geur van de stad kroop over de muren van het station heen, mij binnen, en om me heen streek de vermoeidheid neer, de forensen, de bezopen toeristen, een enkele montere Brusselaar.
"Parlez-vous néerlandais?" vroeg ik. Dat was hier een begroeting. 't Was een voorwaardelijke begroeting. Als het antwoord erop ontkennend was, diskwalificeerde de aangesprokene zich als mottige Waal, als onwelwillende of domme vreemdeling, als onbelg of erger.
"Ja, ik spreek Nederlands," zei ze. Ze was conductrice en ik had een vraag over de Belgische spoorwegen. 't Was nog een heel verhaal.
Acht uur was het nu. In Mechelen was ik uit de vertraagde internationale trein gestapt en had daarna moeten vaststellen dat mijn aansluiting met Leuven al vertrokken was. Maar terug naar Nederland wou ik nu ook niet meer.
Ik had naar Leuven willen bellen, om te zeggen dat ik er nog later zou zijn, maar mijn beltegoed was op. Dat werd me wel in vier talen medegedeeld, door een chagrijnige Belgische telefoonstem. Het was echt een dwaaltocht aan het worden.
Er stond een treintje klaar op het Mechelse station dat naar Brussel boemelen zou. Ik was erin gestapt, om zo van Mechelen naar Brussel te geraken en dan van Brussel door naar Leuven. 't Was een stil, gerieflijk treintje, met zachte stoelen. Toen ik erin zat, kwam juist een vertraagde Belgische sneltrein naar Brussel langszij. Vertraging hadden ze hier allemaal, leek het.
"Toen dacht ik, laat ik die maar pakken," legde ik haastig aan de conductrice uit, "om sneller hier te zijn. Maar bij het overstappen ben ik m'n tas vergeten."
Ik hoopte dat de conductrice mij nu kon vertellen op welk spoor de boemeltrein waar ik eerst in was gaan zitten binnen zou rijden. Dan kon ik er hopelijk nog mijn blauwe weekendtas terugvinden.
"Welk nummer had die trein?" vroeg ze.
Dat wist ik natuurlijk niet. "Het was een stoptrein, een rode, met groen stoelen in," zei ik. "Hij zou stoppen op alle stations."
"Dan moet ge naar de letters zien," legde ze uit. Op dit station - Brussel-Noord - kwam elke minuut wel een trein naar Brussel-Zuid binnen, maar ik moest er de stoptrein uit zien te halen, en op dat perron wachten gaan.
"Ja," zei ik, "die letters ken ik. Een L-trein is een stoptrein, maar is een CR dat ook?" Ze hadden in België heel ondoorzichtige lettercodes om treinen uiteen te houden. "Er komt dadelijk een L-trein binnen op dat ander spoor, maar hier komt eerst de CR-trein. Nu weet ik niet welk van de twee de juiste is..."
"Nu," begon ze. "Een IC-trein is een sneltrein. Die stopt alleen op grote stations."
Dat wist ik, ja. Maar zeggen dat ik dat wist was natuurlijk onbeleefd. Ik moest bewijzen dat ik voor een Hollander nog goed meeviel.
"Een IR-trein stopt alleen in de grote plaatsen, niet op heel kleine stations," zei ze.
Dat wist ik ook. Ik had vaker met een Belgische trein gereisd.
"Een L-trein gaat eigenlijk overal stoppen," zei ze. "Die kunt ge een stoptrein noemen."
"Ja," zei ik. "Ja. En die CR-trein?"
"CR, dat is CityRail hè," zei de conductrice. "Die gaat ook enkel op grote plaatsen stoppen."
Dan moest ik dus niet op dit spoor staan. Ik rende snel weg, bang om mijn tas alsnog mis te lopen, en riep nog iets van merci achterom. De trapleuning was nog kouder dan de rest van het station.
Mijn tas vond ik goddank. De trein naar Leuven ook. Om hal fnegen die avond reed ik dan langs de witte wolken van de Stella en keek ik vanuit het treinvenster neer op die stad in het dal. Als een helverlichte neogotische suikertaart stak de toren van de universiteit de nacht in.
Twee jaar had ik hier gewoond. 't Was toch een beetje alsof 't míjn stad nog was, die daar lag, achter de ramen. Alsof ik nog steeds van haar kon houden, alos ik kon houden van de stank van de bierbrouwerij, en van de straten.
Het stadhuis was mooi, ook in de nacht, er stonden lichten onder opgesteld. Ik kende nog de weg. De weg kende mij, de mensen kenden mij. De vensters in de gevels staarden naar me.
't Fonske had kleren aan.
IV
Twee dagen later reed ik weer terug, over hetzelfde spoor, in weer een internationale trein. Deze keer deed de locomotief het wel, maar vlogen de remmen in brand in Antwerpen Centraal. Mijn hele coupé stond blauw van de rook. Ik ben maar naar een andere gelopen.
Als ze me nog eens verwijten, de mensen, dat ik een cynicus ben, zeg dan dat het door de treinen komt. Al kan het natuurlijk ook van andere dingen komen, of van de mensen. De herinnering.
In Leuven was er niets veranderd.